Tot zover de ambtsedige verklaring

Gerechtshof stelt mij in het gelijk

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in zijn oneindige wijsheid mij in het gelijk gesteld in de slepende zaak rond de ‘rood kruis-boete’. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, mijn grootste pijnpunt, blijkt in dit geval dus van nul en generlei waarde.

Op 11 mei 2011 reed ik, zoals zo vaak, vanaf de rechtbank in Haarlem richting huis in Oudorp over de N208. Dat is de provinciale weg langs Santpoort, leidend naar de A22/Velsertunnel. Van twee sporen gaat de weg, kort voordat het verkeer onder de A22 door moet, naar een spoor (het linker). Dat wordt met een knipperende pijl aangegeven, 100 meter verder staat boven het rechterspoor een rood kruis.

Ik ben een goed autorijder en houd zoveel en zolang mogelijk rechts. Veel automobilisten daarentegen beginnen al ter hoogte van Santpoort links te rijden. Menigeen irriteert zich er ten onrechte aan dat lieden als ik aangeven dat ze na de pijl links willen invoegen. Ze rijden de gaten voor ons dicht. Als dat gebeurt, stoppen wij oppassende verkeersdeelnemers,  en wachten op een nette en fatsoenlijke bestuurder die ons er wil tussenlaten. Gaat altijd goed.

Goed, op die bewuste meidag rijdt een agent in vrije tijd in zijn burgerauto daar en noteert dat de Mitsubishi Outlander van de heer Ruitenbeek ‘de rijstrook volgt in strijd met rood kruis: rijstrooksignalering’. Vijf weken later valt de bekeuring in de bus: 186 euro. Ik klim meteen in de pen, maakt bezwaar en stel tegelijkertijd een reeks vragen via de officier van justitie aan de verbalisant. Waar reed-ie, hoever van mij af, had-ie een slechte dag gehad etc.

De officier heeft drie maanden nodig om mijn bezwaar te verwerpen. Niet inhoudelijk, met argumenten, maar met de dooddoener ’ambtsedige verklaring’. Anders gezegd: als een politiemens iets zegt, spreekt deze de waarheid omdat hij/zij van de politie is. Ik heb in mijn bezwaarschrift direct gezegd dat de aanklager daar niet mee aan hoeft te komen, want zelfs dienders zijn gewone mensen en liegen ook wel eens.

Ik ga in beroep bij de kantonrechter in Haarlem. Weer gaan er maanden over heen. Justitie zweet peentjes, blijkbaar. Dan vergeet men mij de oproeping voor de zitting te sturen (wat ze aanvankelijk ontkennen) en word ik in juli 2012 bij verstek veroordeeld, vooral op basis van die ambtsedige verklaring. Wat mij rest is hoger beroep in Leeuwarden. Op 23 januari is het zover.

Een uiterst beminnelijke raadsheer luistert goed naar mijn verweer. Hij heeft de artikelen over deze affaire gelezen om mijn site, citeert me. De sfeer is bijna gemoedelijk te noemen. De dame van het OM komt nauwelijks in het stuk voor. Ik ga met een goed gevoel de Afsluitdijk over, terug naar Oudorp.

Mijn gevoel klopte. Wat heet. Het hof zegt: ‘Gelet op hetgeen de betrokkene (ik) gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, alsmede de omstandigheid dat door de verbalisant geen duidelijkheid is verschaft over reeds in het begin van de procedure door de betrokkenen opgeworpen legitieme vragen, is bij het hof gerede twijfel gerezen of de gedraging is verricht. Dat brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking (de bekeuring) niet in stand kunnen blijven’.

En daarmee is de koek nog niet op. Ik krijg niet alleen de reeds lang betaalde 186 euro terug, maar bovendien moet het OM mijn reiskosten (waar ik niet om heb gevraagd, pittig eigen initiatief van de raadsheer) van 34,70 euro vergoeden. 220 euro, waarvoor dank.

Maar wat mij het meeste genoegen schenkt, is dat de ambtsedige verklaring niet langer meer onomstreden is. Chapeau, hof Leeuwarden.

ARNO RUITENBEEK